VALID study: practice VAriation in Labour InDuction
VALID studie: Praktijkvariatie in aantal inleidingen bij de bevalling
Doel
Hoe vaak bij zwangere vrouwen de baring wordt ingeleid verschilt sterk tussen regionale geboortezorgnetwerken (VSV’s). Het is onbekend hoe deze praktijkvariatie ontstaat en of dit samenhangt met verschillen in zorguitkomsten. Daarom is onduidelijk of deze praktijkvariatie ongewenst is.
Aanpak
In deze studie onderzochten we eerst hoe groot de variatie was. Hiervoor gebruikten we de Perined-database. Daarnaast bekeken we of er een relatie was met zorguitkomsten. Vervolgens selecteerden we zes VSV’s met verschillende percentages inleidingen. Bij deze VSV’s onderzochten we welke factoren een rol speelden bij de variatie. Tijdens een landelijke expertbijeenkomst stelden we vervolgens vast welke variatie ongewenst was. Op basis hiervan formuleerden we samen met deze VSV’s doelen voor het verminderen van ongewenste variatie, waarbij we aansloten bij de bestaande kwaliteitsverbetercyclus van elk VSV. Tot slot ontwikkelden we een online toolkit voor het verminderen van ongewenste praktijkvariatie in de geboortezorg.
Resultaten
Praktijkvariatie bij het inleiden van baring tussen VSV’s ontstond voornamelijk op het micro- en mesoniveau van de zorgprofessionals. De belangrijkste factoren die hieraan bijdroegen waren: 1) verschillen tussen regionale protocollen en richtlijnen met betrekking tot indicaties voor het wel of niet inleiden van de baring (mesoniveau), en 2) verschillen in risicocommunicatie, informatievoorziening en counseling door zorgprofessionals, evenals de onderlinge afspraken hierover (microniveau). Factoren op het micro- en mesoniveau van cliënten leken niet bij te dragen aan praktijkvariatie tussen VSV’s, maar wel aan individuele variatie bínnen VSV’s. Met name de variatie tussen regionale protocollen op mesoniveau werd door stakeholders geïdentificeerd als ongewenste praktijkvariatie. Daarnaast kwam ook het belang naar voren van een betere afstemming van informatievoorziening en risicocommunicatie.
Aanbevelingen luiden:
- Regionale protocollen dienden op medische inhoud een vertaling te zijn van landelijke richtlijnen. Extra inhoudelijke toevoegingen (die leiden tot extra indicaties voor inleiding van de baring (IOL) of andere afkapwaarden) waren niet wenselijk. Wel was er ruimte voor verschillen op basis van regionale logistieke zorgafspraken of werkwijzen. Meer uniformiteit in het proces van het opstellen van regionale protocollen werd wenselijk geacht. Om dit te realiseren was het noodzakelijk dat landelijke richtlijnen up-to-date waren.
- Er werd aanbevolen meer aandacht te besteden aan risicocommunicatie en informatievoorziening en hoe om te gaan met verschillende mogelijkheden binnen gezamenlijke besluitvorming ten aanzien van IOL. Na een zorgvuldige gezamenlijke besluitvorming maakte de cliënt uiteindelijk een keuze die het beste aansloot bij haar wensen en voorkeuren.
Producten
Auteur: van Haaren-Ten Haken
Magazine: Nataal, vakmagazine voor pre- en postnatale zorgverlening.
Auteur: Offerhaus P, van Haaren - Ten Haken TM, Keulen JKJ, de Jong JD, Brabers AEM, Verhoeven CJM, Scheepers HCJ, Nieuwenhuijze M.
Magazine: Plos One
Link: https://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0286863
Auteur: Zondag DC, van Haaren -Ten Haken TM, Offerhaus PM, Mestdagh E, Scheepers HCJ, Nieuwenhuijze MJ.
Magazine: Journal of psychosomatic obstetrics & gynecology
Link: https://www.tandfonline.com/doi/full/10.1080/0167482X.2024.2392160
Auteur: Keulen JKJ
Auteur: Brabers AEM
Auteur: Offerhaus PM
Auteur: Offerhaus PM