Optimizing treatment in men with urinary tract infection: a retrospective cohort study based on linked routine care data from general practice, microbiological laboratory and hospital
Optimaliseren van het beleid bij mannen met een urineweginfectie: een cohort studie gebaseerd op gekoppelde routinezorg data uit de huisartsenpraktijk, microbiologisch lab en ziekenhuis
Gelokaliseerde Blaasontstekingen, oftewel urineweginfecties (UWI), bij mannen komen vaak voor Internationale richtlijnen geven verschillende adviezen. In Nederland is nitrofurantoïne het eerste keus behandelmiddel, maar dit faalt in 25-30% van de gevallen.
Doel en werkwijze
Om beter te begrijpen waarom, onderzocht dit project waarom de behandeling van nitrofurantoïne bij blaasontsteking (UWI) bij mannen 25-30% van de gevallen faalt en of de werkzaamheid van nitrofurantoïne samenhangt met de soort bacterie en zijn gevoeligheid voor antibiotica. Ze onderzochten bijna 4.700 UWI-episoden bij 3.344 mannen, gekoppeld aan urinekweken, ziekenhuisopnames en sterftecijfers. De doelstellingen waren:
- inzicht verkrijgen in leeftijdsgebonden patronen van uropathogenen en resistentieprofielen
- vaststellen van therapie-falen per antibioticum, inclusief voorspellers van therapie-falen
- verkennen van de kosteneffectiviteit van routinematig urinekweken
Projectopzet
Gekoppelde cohortstudie van volwassen mannen met gelokaliseerde UWI tussen 2018-2022 in praktijken van het Julius Huisartsen Netwerk. Gegevens van volwassen mannen met gelokaliseerde UWI werden meegenomen in het onderzoek, mannen met sytsemische infectie of koorts werden niet meegenomen in het onderzoek. De data was afkomstig van routinezorgdata van huisartsen. Gegevens werden gekoppeld aan urinekweken (Saltro/Unilabs), ziekenhuisopnames (Dutch Hospital Data) en sterftecijfers (CBS).
Resultaten
E. coli en Klebsiella waren de meest voorkomende bacteriën. Ondanks lage resistentie tegen nitrofurantoïne, trad bij 18% van de behandelingen met nitrofurantoine therapiefalen op, vooral bij ouderen en mannen met hart- en vaatziekten. Urinekweken werden maar in een derde van de gevallen gedaan en verminderden het risico op falen niet. Andere factoren dan antibioticaresistentie lijken een rol te spelen.
Aanbevelingen
Het project laat zien dat het NHG-advies om urinekweken in te zetten door huisartsen slechts in 36% van de gevallen wordt gevolgd, met grote variatie tussen praktijken (<10% bij de minst vragende tot >50% bij de meest vragende praktijken). In kwalitatief onderzoek gaven huisartsen aan zich vaak niet te herkennen in deze lage cijfers. Om de naleving van deze aanbeveling te verbeteren, is verder onderzoek nodig naar de oorzaken van het lage gebruik van urinekweken.
Positieve kweekresultaten namen toe van 61% bij mannen van 18-49 jaar tot 74% bij mannen van ≥75 jaar. De meest voorkomende verwekkers waren Escherichia coli (53%) en Klebsiella spp (13%), waarbij het aandeel E. coli afnam met de leeftijd. De resistentie tegen nitrofurantoïne bedroeg 14% voor alle pathogenen en slechts 2% voor E. coli. Omdat bij oudere patiënten vaker non-E. coli stammen worden gevonden, neemt de kans op falen van nitrofurantoïne toe met de leeftijd. Het routinematig inzetten van urinekweken lijkt dit niet te kunnen voorkomen. Bij een mogelijke herziening van de NHG-standaard Urineweginfecties kunnen deze data een rol spelen bij de discussie over de keuze van antibiotica, waarbij de leeftijd van de patiënt mogelijk meegewogen moet worden.
Hoewel urinekweken niet duidelijk bijdragen aan het voorkomen van therapie-falen, zijn ze nuttig omdat ze huisartsen handvatten bieden om de antibioticatherapie aan te passen bij falen. Bij patiënten waarbij een urinekweek was uitgevoerd maar nitrofurantoïne toch faalde, betrof dit in meer dan de helft van de gevallen E. coli-isolaten die gevoelig waren volgens het antibiogram. Dit toont aan dat nitrofurantoïnefalen niet uitsluitend door resistentie wordt veroorzaakt; bij E. coli spelen ook andere factoren een rol. Het is belangrijk dat huisartsen zich bewust zijn van dit risico, zodat zij bij kwetsbare patiënten kunnen overwegen de therapie.